03 nov Interview | ‘Mensen hebben de neiging hun eigen generatie te idealiseren’
Interview Map Oberndorff in het FD 30 oktober 2024
In het kader van een negendelige interviewserie over kloven in de samenleving. ‘Welke kloven zijn er en wat zou eraan te doen zijn?’
Het overkomt Kim Jansen (1980) zelf ook nog weleens, dat ze zich stoort aan het gedrag van iemand uit een andere generatie. Zoals die keer dat ze bij een chique banketbakker stond en een jonge bediende haar prachtige dure taart ineens uit haar handen liet vallen. ‘Nou ja, kan gebeuren’, zei het meisje droogjes. Wát een ongepaste en onverschillige reactie, dacht Jansen geërgerd. Zelf zou ze zich rot hebben geschaamd en door het stof zijn gegaan. Toen realiseerde de generatie-expert zich dat dit een typische reactie is van een gen Z’er die is opgevoed met de boodschap dat fouten maken mag. En dat ze die opmerking dus helemaal niet verkeerd bedoelde.
De ergernissen tussen generaties stapelen zich op, signaleert Jansen in haar eerder dit jaar verschenen boek Het generatie-effect. Door de toegenomen levensverwachting en de veranderende leeftijdsopbouw is de omvang van de beroepsbevolking de afgelopen decennia gestegen naar zo’n 10 miljoen. Wie een kijkje neemt op de gemiddelde hedendaagse werkvloer, kan wel vijf generaties tegenkomen. De laatste babyboomers zwaaien binnenkort af en de eerste gen Z’ers zijn net begonnen. Daartussen bevindt zich een bonte mix van gen X’ers, pragmaten, ook wel de patatgeneratie genoemd, en millennials. Allemaal groeiden ze op in een andere tijdgeest, waren ze onderworpen aan uiteenlopende opvoedingsstijlen en kijken ze verschillend naar de wereld. En dat leidt tot de nodige spanningen.
De kloof
De generatiekloof viel Jansen voor het eerst op in haar vorige functie, als trainer bij een onderzoeksbureau zo’n twintig jaar geleden. De sociaal psycholoog werkte daar veel met millennials, die toen net de arbeidsmarkt betraden. ‘Ik merkte dat ze heel anders tegen werk aankeken dan ik. Ze hadden een houding van “ik doe dit gewoon een tijdje en dan zie ik wel” en “mijn werk moet vooral leuk zijn”, terwijl ik als pragmaat volop bezig was met het zetten van carrièrestappen en zaken als een vast contract, een goed salaris en een leaseauto. Wat apart, dacht ik. Zegt dit nu iets over mij persoonlijk of is hier iets anders gaande? Na het zoveelste gesprek ben ik het thema in gedoken. Toen ontdekte ik dat er zulke grote verschillen in de mentaliteit tussen jongere en oudere generaties zijn dat organisaties hier veel last van moesten gaan krijgen.’
Welke spanningen ziet u daar ontstaan?
‘Tussen de oudere generaties, die veelal aan de macht zijn, en de jongeren botst het behoorlijk. Die eerste groep bestaat uit generatie X (geboren tussen 1955 en 1970, red.) en de pragmaten (1970-1985, red.) en is nogal behoudend van aard. Het zijn over het algemeen harde werkers die gewend zijn zich aan te passen, maar ze zijn geen cultuurvernieuwers. Hun voorgangers, de babyboomers, waren dat wel. Denk maar aan de Maagdenhuisbezetting, flowerpower en de emancipatiebeweging. De uitdrukking “Oké, boomer” slaat ook niet op hen maar op de gen X’ers en pragmaten met hun verouderde gedachtegoed en stroeve omgangsvormen. Als de jongeren binnenkomen in de organisaties die door die generaties geleid worden, schrikken ze zich kapot. Omgekeerd brengt de jonge garde daar ook een schok teweeg.’
Welke verwijten maken ze elkaar?
‘Jongeren verwijten ouderen dat ze star, saai en niet uitgesproken zijn. Daar staat tegenover dat oudere generaties de jongelui weer lui, verwend en veeleisend vinden. Het geestige is dat de huidige leiders hun eigen kinderen hebben opgevoed met het idee dat ze lekker zichzelf moeten zijn en het moeten zeggen als ze het ergens niet mee eens zijn. Maar op de werkvloer ergeren ze zich juist dood aan die houding. Ze verwachten dat jongeren daar hun mond houden en zich voegen naar het systeem. Ze beseffen niet dat ze deze generatie zelf hebben gecreëerd.’
Zijn ouders dus zelf verantwoordelijk voor de generatiekloof?
‘Daar is niemand schuldig aan. We zijn niet alleen een product van onze opvoeding, maar ook van de tijdgeest. Door de eeuwen heen hebben generaties zich altijd al een beetje aan elkaar gestoord. De Griekse filosoof Socrates schreef al een paar honderd jaar voor Christus al: “De jeugd heeft een sterke hang naar luxe, slechte manieren, minachting voor gezag en geen eerbied voor ouderen.” Mensen hebben van nature de neiging hun eigen generatie te idealiseren. Ook ik betrap me daar weleens op, terwijl ik weet dat het bullshit is. Als ik al die kinderen op e-bikes voorbij zie rijden, denk ik: vroeger fietste ik zonder te zeuren door weer en wind naar school. Maar aan de andere kant: het is wel míjn generatie die de elektrische fietsen heeft ontworpen.’
U constateert dat de kloof tussen generaties nu groter is dan vroeger. Hoe komt dat?
‘De tolerantie tussen de generaties is nóg kleiner geworden, doordat ze elkaar in het dagelijks leven steeds minder tegenkomen. Vroeger woonden grootouders vaak in hetzelfde huis als de kinderen en kleinkinderen. Ook ontmoetten mensen uit verschillende generaties elkaar in de kerk, in buurthuizen en bij vakbonden. Het verenigingsleven is grotendeels weggevallen. Sindsdien hebben we ons teruggetrokken in onze generatiebubbels. Het is nu eenmaal comfortabeler om met leeftijdsgenoten om te gaan. Die afstand tussen generaties leidt tot steeds minder wederzijds begrip.’
‘De huidige leiders beseffen niet dat ze de jongere, mondige generatie zelf hebben gecreëerd’
In uw boek hebt u het over de generatie Z als de ‘hoodygeneratie’, die liever wegduikt onder de capuchon dan iemand aankijkt. Een pragmaat behoort tot de ‘patatgeneratie’, omdat hij door zijn ouders meer aan zijn lot werd overgelaten. Bent u niet bang dat u door het benadrukken van de verschillen tussen generaties deze juist verder vergroot?
‘Die benamingen klinken inderdaad negatief. Je moet uitkijken dat je andere generaties daar niet belachelijk mee maakt. In mijn boek gebruik ik ze om de context aan te geven en te laten zien waar ze vandaan komen. Dat we gen Z’ers soms aanduiden als “sneeuwvlokjes” vanwege hun kwetsbaarheid en millennials als “prinsenkindjes”, omdat ze zo door hun ouders zijn opgevoed. Het is belangrijk de verschillen goed te kennen, zodat je ze beter gaat begrijpen. Dat geldt ook voor het onderscheid in geslacht of op neurologisch vlak. Als je de afwijkende behoeftes van mannen en vrouwen kent, krijg je meer begrip voor ze en ga je je er minder aan storen. Als je snapt wat autisme inhoudt, kun je er beter mee omgaan. Elkaar beter leren kennen zorgt voor meer respect en verbinding. Je ontdekt ook dat geen enkele generatie perfect is. Ze zijn allemaal waardevol maar hebben ook hun onhebbelijkheden.’
Jansen bezoekt veel organisaties voor het geven van trainingen en lezingen. Overal waar ze komt, ziet ze medewerkers en leidinggevenden worstelen met het voeren van een ‘open gesprek’ met elkaar. ‘We hebben dat niet geleerd of durven het niet. Maar als we meer bespreken waar we behoefte aan hebben, waar we ons aan ergeren, wat onze dromen zijn, waar we wakker van liggen of welke fouten we hebben gemaakt, komen we erachter dat we veel delen. In de basis willen we allemaal hetzelfde: leuk werk en een bijdrage leveren aan het grotere geheel.’
‘Het is gek dat het bij alle discussies over diversiteit en inclusie aan de top nooit over leeftijd gaat’
Wat moet er nog meer gebeuren om de kloof te slechten?
‘De bal ligt vooral bij de oudere generaties, die aan het roer staan. Zij moeten het beest in de bek kijken, inzien dat het kapitalistische systeem niet meer werkt, oude patronen durven loslaten en jongeren een grotere stem geven.’
Ziet u dat er ook nog veel leeftijdsdiscriminatie plaatsvindt op de werkvloer?
‘Absoluut! Wat mij opvalt is dat als je mensen vraagt of ze zich weleens schuldig hebben gemaakt aan leeftijdsdiscriminatie, ze allemaal nee zeggen. Maar als je vraagt of ze weleens het gevoel hebben gehad dat hun leeftijd in hun nadeel werkte, zeggen ze allemaal ja. Leeftijdsdiscriminatie werkt vaak heel subtiel, maar is tegelijkertijd iets hardnekkigs. Het treedt op bij elke leeftijd. Vijftigplussers worden niet aangenomen, omdat ze te duur en vaak ziek zouden zijn. Terwijl uit onderzoek allang gebleken is dat ouderen juist minder vaak verzuimen dan jonge mensen. Overigens zie ik dat veel organisaties dat patroon langzaam doorbreken, doordat ze zich beginnen te realiseren dat ze de ouderen hard nodig hebben in deze krappe arbeidsmarkt. Maar we zijn er nog lang niet. En jongeren zien promoties aan hun neus voorbijgaan vanwege hun leeftijd, ook al zijn ze de beste kandidaat.’
Hebt u zelf ervaring met leeftijdsdiscriminatie?
‘Ik heb het niet aan den lijve ondervonden, maar mezelf weleens betrapt op vooroordelen tegenover anderen. Als jonge mensen mij bijvoorbeeld op LinkedIn benaderden, dacht ik vaak: laat maar, ik zal wel niets aan ze hebben. Totdat ik besefte dat ieder nieuw contact waardevol kan zijn. Toen heb ik mezelf hard teruggefloten en ben ik de connecties wel aangegaan. En elke keer ben ik er weer verbaasd over hoe leuk en leerzaam die zijn. Laatst nog sprak ik een jongen die het bloementeeltbedrijf van zijn vader had overgenomen. Hij had allerlei interessante veranderplannen, maar zijn vader wilde alles bij het oude laten en blijven meebeslissen. Eigenlijk is het gek dat het bij alle discussies over meer diversiteit en inclusie aan de top vrijwel nooit over leeftijd gaat. Dat is echt een ondergeschoven kindje, terwijl daar nog veel kansen liggen. Ouderen zijn over het algemeen iets minder flexibel en kunnen last krijgen van blinde vlekken. Jongeren kunnen ze daarop wijzen. Andersom zorgen de ouderen met al hun opgebouwde werkervaring en veerkracht voor de nodige stabiliteit in organisaties. Kortom, ik zie één grote win-winsituatie.’